Wim de Haan
Zonder titel (Mia de Haan noemde het 'niervorm')
Over het schilderij
In 1955 deed Wim de Haan een vondst die hij later omschreef als een ‘openbaring’. Hij was in dat jaar verhuisd naar Haarlem, waar hij voor het eerst over een eigen atelier beschikte. In dat atelier stond een potkachel en dat bracht hem op het idee om de as te gebruiken om zijn schilderijen meer structuur te geven. Belangrijk voordeel was dat de schilderijen niet meer ‘glommen’ hetgeen door de Haan als storend werd ervaren. De as werd zorgvuldig gezeefd en gesorteerd van fijn naar grof. De Haans verf bestond uit een witte dekkende muurverf waardoor hij de as en kleurpigmenten mengde. Olieverf gebruikte hij alleen voor bepaalde details, die ook in het schilderij dat wij hier tonen zijn te zien. Op de overheersende aardkleurige ondergrond zijn details in rood, geel en groen te zien. De overheersende toon is echter sober. Het werk is geschilderd op grof jute en door de dikke structuur van de verf is het doek stevig. Deze nieuwe ontdekking leidde tot een grote productiviteit. De Haan maakt in 1955 maar liefst 54 schilderijen. Aanvankelijk speelde de met as vermengde verflaag nog een ondergeschikte rol en fingeert het vooral als achtergrond maar de materie gaat in de loop van 1955 een steeds belangrijker rol spelen. Het werk wordt ook steeds abstracter. De details worden van herkenbare figuratie tot abstracte lijnen. Het schilderij dat u hier ziet is onder nummer S 55-42 opgenomen in de oeuvrecatalogus die is opgenomen in het fraaie boek van Jan Brand, Piet Cleveringa en Mia de Haan-van der Chijs dat in 1999 door Waanders werd uitgegeven.
Over de kunstenaar
Wim de Haan werd als Willem Jacobus de Haan op 1913 geboren in Amsterdam en groeide op in Haarlem. De Haan begon zijn carriere in het bedrijfsleven. Hij was werkzaam als handelsagent in Nederlands-Indië. In deze periode werd hij opgeroepen om als soldaat te vechten in de oorlog tegen Japan. Wanneer hij krijgsgevangen wordt genomen, moet hij aan de Birmaspoorweg werken. Hij overleeft deze kamptijd op het nippertje en keert in 1946 terug naar Nederland. De Haan heeft zich nooit thuis gevoeld in het bedrijfsleven maar de oorlog doet hem definitief een ander pad inslaan. In Nederland studeert hij enkele jaren sociale pedagogie en filosofie, is korte tijd beheerder van een kindertehuis. Verder tekent hij en schrijft hij gedichten. In 1951 publiceert hij ‘Vrijheid in gevangenschap’, een scriptie over groepsverschijnselen in Japanse krijgsgevangenkampen. In 1953 besluit hij zich geheel aan de teken- en schilderkunst te wijden. Als kunstenaar was hij autodidact. Vertonen zijn eerste schilderijen en tekeningen in de uitwerking van thema’s en motieven nog sterke aanwijzingen naar het vooroorlogse surrealisme, al spoedig ontwikkelde zijn werk zich in een abstract-expressionistische richting, waarbij een duidelijk onderscheid valt te maken tussen zijn tekeningen en schilderijen. Zijn tekeningen worden beheerst door expressieve lijnstructuren, waarin zich meer en minder inzichtelijke tekens laten onderkennen. Steeds verder onderzoekt hij de mogelijkheden van pen, penseel, inkt en papier. De vrije lijnvoering wordt kenmerkend voor zijn tekenstijl. De lyrisch-abstracte schilderijen die ontstaan worden gekenmerkt door abstracte tekens en onduidelijk begrensde, kleurige vlekken. Vanaf 1955 gaat hij as, zand en andere materialen door zijn verf mengen. Naast vooral de tekeningen, worden de schilderijen uit de jaren 1955-1957 als het hoogtepunt van zijn oeuvre beschouwd. Zijn schilderkunst loopt dan enige tijd parallel aan die van zijn Nederlandse vriend Jaap Wagemaker (1906-1972). Ook Wagemaker mengt bijvoorbeeld kanariezand door zijn verf. Beiden zijn lid van de Liga Nieuw Beelden. Voortdurend op zoek naar nieuwe mogelijkheden, slaat De Haan in 1957 een andere weg in. Het tweedimensionale vlak wordt doorbroken door middel van uitsnijdingen, vooruitspringende en terugwijkende vlakken. Ook worden er alle mogelijke ‘objets trouvés’ toegevoegd. In 1958 wordt een eerste tentoonstelling van zijn werk gehouden in Galerie ’t Venster in Rotterdam. Vanaf 1960 exposeert De Haan met een zekere regelmaat in Londen en daarnaast o.a. in Cambridge, Lyon en Frankfurt. Hij is in de jaren zestig lid van de groep Europa en van de groep Oekwa, waarmee hij in Nederland, Duitsland en België exposeert. Na 1962 ontstaan zijn vrijstaande objecten, waarin nog meer dan in zijn vroegere werk zijn belangstelling voor magie en mystiek tot uiting komt. Wim de Haan overlijdt in 1967 te Amsterdam.
